De Leer - r.k. daltonbasisschool

R.K. Daltonbasisschool De Leer
St.michielsstraat 6
7255 AP Hengelo (gld)
T 0575 - 46 17 15

Handleiding rapport

 

Geachte ouders / verzorgers,
 
 
Graag willen wij u op de hoogte houden van de ontwikkelingen van uw kind(eren).
U ontvangt daarom eind groep 1 een schriftelijke rapportage. Vanaf groep 2 krijgen de kinderen twee keer per jaar een rapport.
Het rapport kan besproken worden met de groepsleerkracht van uw kind(eren).
U ontvangt hiervoor een uitnodiging voor een spreekuuravond.
 
Het rapport wordt zorgvuldig samengesteld aan de hand van toetsen en
criteria zoals inzet, werkhouding, etc. 
Om u inzicht te geven op welke wijze het rapport tot stand komt, hebben wij deze informatie gebundeld in een handzame toelichting.
 
 
Namens het team van De Leer,
 
 
J.T.M. Kroonen – Kennis
directeur         
 
 
 
 
Gebruikte afkortingen:
                                                                                 

g.
goed
r.v.
ruim voldoende
v.
voldoende
m.
matig
o.
onvoldoende

 
Rapportage
 
1 Het bespreken van het welbevinden en de leervorderingen van de kinderen met de ouders.
 
De leerlingen van groep 1 ontvangen aan het eind van groep 1, als vaststaat dat ze naar groep 2 gaan, een rapport. Daarnaast gaat de leerkracht van groep 1 op huisbezoek en bespreekt tijdens spreekuuravonden de ontwikkeling van uw kind.
Vanaf groep 2 krijgen de leerlingen twee keer per jaar een rapport. Ouders kunnen desge­wenst het rapport bespreken met de groeps­leerkracht. Hiervoor worden spreek­uuravonden georganiseerd. Daarnaast is er in oktober een spreekuuravond, waarbij alle ouders worden uitgenodigd. Deze bespreking zal vooral gaan over de sociaal-emotionele ontwikkeling van uw kind. Bijzonderheden op het gebied van leerprestaties komen ook aan de orde.
 
2 Toelichting op de rapportage van groep 1 en 2.
 
Uw kind wordt op verschillende onderdelen beoordeeld. Binnen elk onderdeel wordt onderscheid gemaakt in verschillende fasen, die horen bij de ontwikkeling van een kind, in de leeftijd van 3 tot 61/2 jaar. Bepalend voor de beoordeling is of de fase waarin een kind zich op een bepaald moment bevindt, overeenkomt met de fase die op dat moment van de betreffende leerling verwacht mag worden.
Wat verstaan wij onder:
 
Spelontwikkeling
Spelontwikkeling begint met een eenvoudig symbolisch spel (doen als…) en loopt door tot het spelen van een samenhangend spelverhaal met andere kinderen, waarbij het kind zich ook kan verplaatsen in een rol van een ander.
 
Expressieve ontwikkeling
Expressieve ontwikkeling loopt van het tekenen van eenvoudige vormen tot het maken van een gedetailleerde compositie die overeenkomt met de werkelijkheid.
                                                                                           
Grove motoriek
De ontwikkeling van de grove motoriek van het gecoördineerd uitvoeren van globale grote patronen (rennen en opspringen) tot aan het komen tot een soepel bewegingspatroon van verschil­lende onderdelen zoals evenwicht, hinkelen, huppelen gooien en vangen.
 
Fijne motoriek
De ontwikkeling van de fijne motoriek loopt van het maken van grovere handbewegingen vanuit de schouder en elleboog tot aan een goede motorische coördinatie (moeilijke schrijfpatronen, cirkel knippen, veters strikken).
 
Visuele waarneming (het zien)
De ontwikkeling van de visuele waarneming loopt van het maken van inlegpuzzels met eenvoudige concrete voorstellingen tot aan het onderscheiden van letters en cijfers en het onderscheiden van dezelfde woorden in een reeks.
  
Auditieve waarneming
De ontwikkeling van de auditieve waarneming loopt van het onthouden en nazeggen van zinnen met een eenvoudige structuur t/m vier woorden tot aan het synthetiseren van klanken (bu oo mmm= boom) van een éénlettergrepig woord en het klappen van lettergrepen.
 
Luisteren
Bij luisteren observeren wij de luisterhouding en de betrok­kenheid bij het onderwerp dat aan de orde is. Tevens worden genormeerde Cito-toetsen gebruikt voor het onderdeel kritisch luisteren.
 
Spreken
De ontwikkeling van de spraak loopt van het spreken in zinnen van vier woorden tot aan het kunnen vertellen van een samenhangend verhaal van meerdere zinnen met een juist woordgebruik en zinsbouw.
 
Taalbegrip
De ontwikkeling van het taalbegrip loopt van het begrijpen van begrippen als koud, moe, honger, tot aan het leggen van verbanden (oorzaak-gevolg) en het vertellen van een verhaal in de juiste volgorde.
 
Hoeveelheden vergelijken
De ontwikkeling van het vergelijken van hoeveelheden loopt van het ordenen van groot naar klein tot aan het kunnen vergelijken tot tien en weten wat 1 meer dan een bepaald getal is en 1 minder dan een bepaald getal is.
 
Lichaamsoriëntatie
De ontwikkeling van de lichaamsoriëntatie loopt van het kunnen aanwijzen van de belangrijkste lichaamsdelen tot aan het verwoorden van wat alle verschillende lichaamsdelen doen.
 
Ruimtelijke oriëntatie
 De ontwikkeling van de ruimtelijke oriëntatie loopt van het zelf uitvoeren van eenvoudige posities (achter stoel, voor tafel) tot aan het kunnen onderscheiden van links-rechts vanuit verschillende standpunten.
 
Tijdsoriëntatie
De ontwikkeling van de tijdsoriëntatie loopt van het ervaren van een tijdsritme tot het toepassen van de dagen van de week en de begrippen gisteren/morgen.
                                                                                                                                     
Belangstelling voor letters, woorden
De ontwikkeling van belangstelling voor letters en woorden loopt van het hebben van belangstelling voor boekjes tot aan het bewust zijn van de functie van het geschreven woord, o.a. zelf woorden maken.
 
Belangstelling voor cijfers, getallen
De ontwikkeling van de belangstelling voor cijfers en getallen loopt van het gebruiken van cijfers/getallen als aanduiding tot aan het maken van een goede koppeling van hoeveelheid met het symbool, het schrijven van cijfers en het terugtellen vanaf tien.
 
Sociale vaardigheden
Bij het beoordelen van de sociale vaardigheden kijken we naar de volgende aspecten:
-          omgang met leerlingen o.a. aspecten van competitie, tolerantie, sportiviteit, hulpvaardigheid en samenwerken;
-          omgang met leerkrachten o.a. beleefdheid, openheid, gehoorzaamheid en reageren op opvoedingsmiddelen.

Werkhouding
Bij het beoordelen van de werkhouding gaan we uit van de volgende aspecten:
-    tempo, o.a. snelheid en regelmaat;
-    concentratie o.a. duur en intensiteit tijdens werk en spel;
-    zelfstandigheid o.a. denken en handelen tijdens werk en spel;
-    werkverzorging o.a. de netheid, overzichtelijkheid en  
    duidelijkheid.
 
 
3 Toelichting op de rapportage groep 3 t/m 8
 
 
Mondeling taalgebruik
Bij mondeling taalgebruik observeren wij de woordenschat, een logische zinsopbouw, durf en inbreng.
 
Luisteren
Bij luisteren observeren wij de luisterhouding en de betrokken­heid bij het onderwerp dat aan de orde is. Ook wordt er een toets afgenomen.
 
Aanvankelijk lezen
Bij aanvankelijk lezen beoordelen wij de letterkennis, letter- en klankkoppeling, auditieve analyse (maan splitsen in m aa n) en de auditieve synthese (m aa n samenvoegen tot maan)
 
Technisch lezen
Onder technisch lezen verstaan wij het verklanken van woorden. Het gaat om de leesvaardigheid. Zowel de AVI-toets en de Drie-Minuten-toets scoren op basis van het aantal goed gelezen woorden binnen een bepaalde tijd. Hier gaat het niet om het begrip van een woord.
 
Begrijpend lezen eind groep 3 t/m 8
Bij begrijpend lezen gaat het om de volgende aspecten t.w. reproductie (navertellen), conclusies trekken, samenvatten en de betekenis van woorden.
 
Schriftelijk taalwerk eind groep 3 t/m 8
Het schriftelijk taalwerk bestaat uit het overschrijven, invullen van lesjes en creatief taalgebruik, w.o. opstel.
 
Ontleden groep 7 en 8
Bij het ontleden gaat het om zinsontleding (b.v. onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp, etc.) en woord benoemen (b.v. zelfstandige naamwoorden, werkwoorden, lidwoorden, etc.)
 
Spelling midden groep 3 t/m 8
Bij spelling gaat het om de spellingvaardigheid w.o. het gebruik van de werkwoordspelling, doch ook de juiste schrijfwijze van de woorden.
 
Engels groep 7 en 8
Bij het vak Engels komen de volgende aspecten aan bod:
het luisteren, begrijpen en spreken van de Engelse taal.
De onderlinge vaardigheid staat hierbij centraal. Daarnaast is er aandacht voor eenvoudig lezen en schrijven in de Engelse taal.
 
Schrijfonderwijs groep 3 t/m 8
Bij de beoordeling van het schrijven letten we op de juiste schrijfhouding, de penhantering, de schrijfvaardigheid en de verzorging van het schrijfwerk.
 
 
Rekenonderwijs
·         Aanvankelijk rekenen groep 3
Bij aanvankelijk rekenen beoordelen we het getalbegrip bij kinderen, het tellen en het splitsen van getallen tot 10.
·         Automatiseren groep 3 t/m 5
 
Bij het automatiseren gaat het vooral om het zich eigen maken van de tafels, het splitsen van getallen zowel van onder de 10 als boven de 10. Ook beoordelen we het optellen en aftrekken van de getallen tot 20.
·         Rekenen eind groep 3 t/m 8
Bij rekenen beoordelen we het cijferen o.a. optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen en hoofdrekenen. Daarnaast beoordelen we het inzicht en het kunnen toepassen van de rekenvaardigheden.
 
Wereldverkenning groep 3 en 4
Bij wereldverkenning in groep 3 staat het omgaan met de natuur, de omgeving en de plek van het kind daarin, centraal. Dit gebied wordt in samenhang aangeboden en beoordeeld.
 
Verkeer groep 3 t/m 8
Het verkeersgedrag als voetganger en als fietser staat centraal. Daarnaast is er aandacht voor de kennis van de verkeersregels en verkeersborden.
 
Natuurkennis
Uitgangspunt voor de beoordeling van natuurkennis is kennis en inzicht in de verschijnselen, die zich voordoen in de levende en dode natuur.
 
Aardrijkskunde groep 5 t/m 8
Uitgangspunt voor de beoordeling van aardrijkskunde is kennis en inzicht van de leerlingen op de wereld om hen heen, dichtbij en veraf.
 
Aardrijkskunde topografie
We beoordelen kennis van en het kunnen omgaan met kaart en atlas.
 
Geschiedenis groep 5 t/m 8
De tijdbalk met enige markante jaartallen loopt als een rode draad door ons geschiedenisonderwijs. Het gaat hierbij vooral om de mensen die in die periode hebben geleefd.
 
Bewegingsonderwijs groep 3 t/m 8
Bij de beoordeling van het bewegingsonderwijs gaan we uit van een drietal aspecten, t.w.
-          de vaardigheid van de leerling met turnoefeningen
-          de spelvaardigheid van de leerling, o.a. het spelinzicht en de betrokkenheid
-          de sportiviteit o.a. het houden aan spelregels, tegen verlies kunnen en gedrag bij het streven om te winnen.
 
Catechese groep 3 t/m 8
Hierbij letten we vooral op de betrokkenheid van de leerling bij het onderwerp dat aan de orde is.
 
Sociale vaardigheden groep 3 t/m 8
Bij het beoordelen van de sociale vaardigheden kijken we naar de volgende aspecten:
-          omgang met leerlingen o.a. aspecten van competitie, tolerantie, sportiviteit, hulpvaardigheid en samenwerken;
-          omgang met leerkrachten o.a. beleefdheid, openheid, gehoorzaamheid en reageren op opvoedingsmiddelen.
 
Werkhouding groep 3 t/m 8
Bij het beoordelen van de werkhouding gaan we uit van de volgende aspecten:
-    tempo, o.a. snelheid en regelmaat;
-    concentratie o.a. duur en intensiteit tijdens werk en spel;
-    zelfstandigheid o.a. denken en handelen tijdens werk en spel;
-    werkverzorging o.a. de netheid, overzichtelijkheid en  
    duidelijkheid van het schriftelijk werk.
 
 
4 De daltonaspecten, groep 1 t/m 8
 
 
Verantwoordelijkheid / Vrijheid
 
Vrijheid is een voorwaarde voor de ontplooiing van de persoonlijkheid van de mens. Vrijheid gaat samen met verantwoordelijkheid. Een kind moet verantwoordelijkheid kunnen en durven dragen voor de keuzes die het maakt. Dat kan alleen als er een doel is en duidelijke regels en afspraken. De gestelde doelen zijn helder. Die zijn omschreven op het planbord of in de dag- of weektaak. Een kind heeft binnen deze taak vrijheden. Een leerling is vrij om te kiezen in welke volgorde het opgedragen taken gaat maken, vrij om zelf hulpbronnen te kiezen, vrij om te beslissen of het al dan niet samen gaat werken met anderen, vrij om haar / zijn eigen tijd in te delen. Het kind leert dus al vroeg dat je keuzes kunt maken, maar tevens dat je altijd gemaakte afspraken moet nakomen. Met andere woorden: de taak moet verzorgd en goed af zijn op het afgesproken moment.
 
 
Zelfstandigheid
 
Zelfstandigheid is van nature bij kinderen aanwezig. Kinderen willen actief zelfontdekkend bezig zijn. Wij stimuleren deze ontwikkeling naar zelfstandigheid. Zelf actief problemen oplossen leert kinderen zelfstandig nadenken en beter begrijpen. Hoe zelfstandiger een kind wordt, des te gemakkelijker zal het leren doordachte keuzes te maken. Op de zelfstandigheid van een kind wordt vooral een beroep gedaan binnen het zelfstandig werken. Na een instructiemoment kan een kind zelfstandig aan het werk met haar / zijn taak. De taak van elk kind staat vermeld op de takenkaart en kan een dag- of weektaak omvatten. De takenkaart geeft aan wat een kind op het gebied van rekenen, taal, lezen en wereldoriëntatie in een dag c.q. een week moet doen. Voor kinderen die de basisstof van de weektaak afhebben is er keuzewerk. Met behulp van een planbord en de registratie op de takenkaart (d.m.v. afkleuren) heeft de leerkracht een helder beeld van hetgeen kinderen af hebben. Kinderen leren omgaan met uitgestelde aandacht. De leerkracht is niet op elk moment beschikbaar, hoe los je je problemen op. De ontwikkeling naar zelfstandigheid waarbij het zelf verantwoordelijk zijn een belangrijke rol speelt wordt nauwlettend gevolgd en begeleid door de leerkrachten.
 
 
Samenwerken
 
Samenwerken staat centraal binnen ons onderwijs. We leren kinderen de sterke kanten van elkaar te benutten, maar ook om elkaar hulp te vragen en te aanvaarden wanneer dat nodig is. Samenwerken moet je leren. Luisteren naar elkaar, samen problemen oplossen, positief met elkaar omgaan. Samenwerken kan plaatsvinden op het gebied van rekenen, taal etc. maar ook tijdens keuzewerk. Samenwerken is een belangrijke vaardigheid, die het kind later in staat stelt relaties aan te gaan en in stand te houden, zowel in de werk- als privé-sfeer.
 
 
 
 
5 Toelichting bijlage leerling-rapport met uitslagen van het CITO-leerlingvolgsysteem.
 
U ontvangt bij het eerste rapport de toetsuitslagen van het lopende schooljaar in een grafiek. Deze bijlage wordt bij het tweede rapport vervangen door een overzicht met alle toetsuitslagen in een grafiek en een tabel, waarbij u dan goed kunt volgen hoe uw kind zich ontwikkelt.  Dit overzicht  kan dan in het rapport blijven. Hieronder vindt u een toelichting op de tabel bij het leerling-rapport van het CITO- Leerlingvolgsysteem.
 
Afnamedatum:                                Jaargroep:
Datum waarop de toets is afgenomen.              Groepsniveau van de toets.                 
 
Taak:
De Toets die afgenomen is met daarbij vermeld de periode waarin hij is afgenomen. Bijvoorbeeld:  
B3 begin groep 3
M4 midden groep 4
E5 eind groep 5
A.V.I.: een toets voor technisch lezen: zinnen, een verhaaltje.
DMT: Drie-Minuten-Toets , een toets voor technisch lezen: losse woorden
Rek-Wisk ALG: rekentoets, alle onderdelen
Rek-Wisk GB: rekentoets, Getallen en Bewerkingen
Rek-Wisk MTG: rekentoets, Meten Tijd en Geld
De Taak: Het deel / de delen van de toets die afgenomen zijn.
 
Bijvoorbeeld:  Begrijpend Lezen : Na de afname van deel 1 wordt n.a.v. de uitslag per kind besloten of de afname verder gaat met deel 2 of deel 3.
Er staat dan op het overzicht vermeld 1 & 2 of 1 & 3.
Ook bij de Spellingtoetsen (vanaf groep 3) wordt op deze wijze gewerkt.
Er staat dan bijvoorbeeld op het overzicht vermeld M3A of M3B.
 
Toetsscore/schaalscore:
De toetsscore geeft het aantal goede antwoorden aan.
De schaalscore is een meetlat(schaal) waardoor de vorderingen in de tijd te volgen zijn. Deze geeft aan hoeveel de leerling zelf is gevorderd. 
 
Score-interval:
Alle toetsen geven een nauwkeurig beeld van de vaardigheden van uw kind. Toch kan het zijn, dat de werkelijke vaardigheid iets hoger of lager ligt dan door de scores wordt aangegeven. Hoeveel hoger of lager kunt u zien aan de score-interval. Daar is voor iedere score aangegeven wat de mogelijke afwijking is naar boven en beneden.
 
Niveau:
Het niveau geeft aan hoe de vorderingen zijn t.o.v. een landelijke referentiegroep.
Niveau A:         Goed tot zeer goed (± 25% hoogst scorende leerlingen)
Niveau B:          Voldoende tot goed (± 25% net boven het landelijk gemiddelde
                        scorende leerlingen)
Niveau C:          Matig tot voldoende (± 25% net onder het landelijk gemiddelde
                        scorende leerlingen)
Niveau D:         Zwak tot matig (± 15% ruim onder het landelijk gemiddelde scorende
                        leerlingen)
Niveau E:          Zeer zwak tot zwak (± 10% laagst scorende leerlingen)